< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.235.255/01

zaaknummer rechtbank : C/01/322985 / FA RK 17-3366

beschikking van de meervoudige kamer van 27 december 2018

inzake

[verzoekster in hoger beroep] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. K. Steenbergen-van Straten te Heesch,

tegen

[verweerder in hoger beroep] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. Kamphuis te Ravenstein, gemeente Oss.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 12 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 13 december 2017.

2.2.

De man heeft op 23 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- de producties F en G in hoger beroep zijdens de vrouw, ingekomen op 13 maart en 31 mei 2018.

2.4.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft de gelegenheid zijn mening met betrekking tot de bijdrage in zijn verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie ) kenbaar te maken, doch hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond.

3.3.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 3] ( [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 4] ( [minderjarige 4] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

De man heeft de kinderen erkend.

3.4.1.

Bij door partijen op 27 oktober 2010 ondertekend convenant zijn partijen onder meer het navolgende overeengekomen:

Artikel 1. 4.

“…… Op basis van de berekening kinderalimentatie is er aan kinderkosten, op basis van het netto salaris, en de Trema norm een bedrag nodig van € 1.230,- voor 4 kinderen gezamenlijk. Daar de vrouw de volledige opvoeding van de kinderen voor haar rekening neemt, spreken partijen af dat de kinderalimentatie na wegvallen partneralimentatie verhoogd zal worden tot een bedrag van netto € 1.900,-.

….

Op de te betalen kinderalimentatie zal een niet-wijzigingsbeding van toepassing zijn.

Artikel 2. Partneralimentatie

Partijen spreken af dat er een verplichting is tot het betalen van partneralimentatie. Tot het bereiken van de 18 jarige leeftijd van het jongste kind. Hierover besluiten zij, om hier een niet-wijzigingsbeding op te nemen, dat ook bij gewijzigde omstandigheden zal gelden, voor de partneralimentatie…..

De te betalen partneralimentatie zal € 735,- bruto bedragen. …

In dit bedrag zit overigens € 15,- opgenomen voor de zorg van de hond ….”

3.4.2.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 februari 2011 is op verzoek van partijen de partneralimentatie voor de vrouw met ingang van 8 november 2010 bepaald op € 720,- per maand en de kinderalimentatie met ingang van dezelfde datum op € 307,50 per kind per maand.

3.4.3.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 oktober 2015 is voornoemde beschikking op verzoek van de man en met instemming van de vrouw gewijzigd voor wat betreft de kinderalimentatie (in verband met de invoering van de Wet Kindregelingen) en is de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2015 nader bepaald op € 205,25 per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 2 oktober 2015 op verzoek van de man gewijzigd voor wat betreft de kinderalimentatie en is deze met ingang van 24 maart 2017 nader bepaald op € 265,72 per kind per maand. Voorts is de beschikking van 15 februari 2011 gewijzigd voor wat betreft de partneralimentatie en is deze met ingang van 24 maart 2017 nader bepaald op nihil en is bepaald dat de vrouw de door de man vanaf 24 maart 2017 te veel betaalde kinder- en partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.

4.2.1.

De grieven van de vrouw betreffen de overweging van de rechtbank dat de in het convenant overeengekomen partneralimentatie een verkapte vorm van kinderalimentatie is, en de nihilstelling van de partneralimentatie, alsmede de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie en partneralimentatie en de terugbetaling van te veel betaalde kinder- en partneralimentatie.

4.2.2.

De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man om de partneralimentatie op nihil te stellen alsnog af te wijzen en voorts de kinderalimentatie met ingang van 31 december 2017 nader te bepalen op € 265,72 per kind per maand, alsmede het verzoek van de man tot terugbetaling door de vrouw van te veel betaalde partneralimentatie en kinderalimentatie van 24 maart 2017 tot 13 december 2017 af te wijzen.

4.3.

De man heeft verzocht het hoger beroep van de vrouw op alle punten als ongegrond af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging kinderalimentatie

5.1.

Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de man met ingang van 24 maart 2017 de zorg voor de vier kinderen op zich heeft genomen en de kinderen sinds die datum bij de man verblijven, op grond waarvan de in het convenant overeengekomen en later bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 oktober 2015 gewijzigde kinderalimentatie van € 205,25 per kind per maand, met ingang van 24 maart 2017 in verband met de kosten van de omgangsregeling nader is bepaald op totaal € 265,72 per maand.

Partneralimentatie verkapte kinderalimentatie?

5.2.1.

De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de in het convenant overeengekomen partneralimentatie van destijds € 720,- per maand een verkapte vorm van kinderalimentatie is. De rechtbank heeft de man in dit standpunt gevolgd en heeft niet alleen de kinderalimentatie op een lager bedrag bepaald, maar ook de partneralimentatie van € 787,30 per maand (zoals geïndexeerd met ingang van 1 januari 2017) met ingang van 24 maart 2017 op nihil gesteld.

5.2.2.

De vrouw kan zich met die beslissing van de rechtbank niet verenigen. De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld.

De bedoeling van partijen ten aanzien van de overeengekomen partneralimentatie is af te leiden uit het gespreksverslag d.d. 18 augustus 2010 van de mediator, de heer [mediator] te [plaats] , welk verslag is opgemaakt voorafgaand aan het opmaken van het door partijen op 27 oktober 2010 ondertekende convenant. De mediator heeft in het gespreksverslag d.d. 18 augustus 2018 vermeld: “Ik vond dat er een alimentatieverplichting in zit van [voornaam van de man] om ook een partneralimentatie te gaan betalen”. In het convenant zijn partijen ook een verplichting tot betaling van partneralimentatie overeen gekomen. Uit het gespreksverslag van de mediator van 18 augustus 2018 blijkt voorts dat de vrouw over minimaal € 1.800,- per maand zou beschikken voor het huishouden. Het huishouden is een ruimer begrip dan uitsluitend kosten voor de kosten van de kinderen. Verder is van belang dat de man op grond van het convenant een kinderalimentatie voldoet van € 1.230,- kinderalimentatie per maand (niveau 2010) plus € 720,- partneralimentatie (niveau 2010) per maand, dat is totaal € 1.950,- per maand. Ook dit bedrag is hoger dan de door de advocaat van de vrouw (in haar brief van 2 augustus 2010 aan de man) berekende behoefte van de kinderen van € 1.630,- per maand. De partneralimentatie is als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bedoeld.

5.2.3.

De stellingen van de man in eerste aanleg en in hoger beroep zijn als volgt kort samen te vatten.

Partijen hebben nimmer voor ogen gehad om een partneralimentatie voorziening voor de vrouw overeen te komen. Partijen hebben slechts gebruik willen maken van de fiscaliteiten die een verplichting tot betaling van kinderalimentatie niet, maar die een verplichting tot betaling van partneralimentatie wel biedt (de volledige fiscale aftrekbaarheid van partneralimentatie in aangifte IB van de man), zoals de advocaat van de vrouw in haar brief aan de man heeft geopperd. Nu partijen enkel samenwonend zijn geweest bestond er ook geen alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw, hetgeen de door de vrouw geraadpleegde eigen advocaat eveneens bij brief van 2 augustus 2010 aan de man heeft bevestigd. Tot het moment waarop de vrouw de advocaat begin augustus 2010 heeft ingeschakeld, hebben partijen bij de mediator ook alleen discussie gehad over de zorgregeling en de kinderalimentatie, niet over de partneralimentatie, hetgeen ook blijkt uit de brief van de advocaat van de vrouw van 2 augustus 2010 aan de man: “De onderhandelingen over de zorgregeling en de kinderalimentatie verlopen moeizaam”. De advocaat van de vrouw heeft de behoefte van de kinderen weliswaar berekend op € 1.630,- per maand, maar op pagina 2 van haar brief wijst de advocaat op bijkomende kosten van de kinderen en stelt zij voor dat de man alle kosten van de kinderen van € 1.850,- per maand voor zijn rekening neemt. Dat bedrag van de kosten van de kinderen is leidend geweest in de verdere bespreking bij de mediator en de totstandkoming van de kinderalimentatie in het convenant. De in het convenant overeengekomen partneralimentatie is bedoeld als kinderalimentatie.

5.2.4.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen ieder een geheel eigen visie hebben op hetgeen zij met betrekking tot de partneralimentatie zijn overeengekomen en de wijze waarop hun afspraken tot stand zijn gekomen. Voor het hof is het onmogelijk gebleken met betrekking tot dit vraagstuk een bedoeling af te leiden die partijen gemeenschappelijk voor ogen heeft gestaan bij het aangaan van die overeenkomst. Het hof constateert dat de man feitelijk een bedrag van totaal € 1.950,- per maand aan de vrouw heeft betaald. Met dat bedrag van € 1950,- heeft de vrouw, die niet over enig eigen inkomen uit arbeid, dan wel over enig ander inkomen heeft beschikt, voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, en in de kosten van haar eigen levensonderhoud. Uit het verslag van de mediator van 18 augustus 2010 blijkt ook dat er een minimaal bedrag voor ‘de huishouding’ beschikbaar moest zijn, welk bedrag ook (minimaal) door de man ter beschikking is gesteld. Dat het minimale bedrag ten behoeve van ‘de huishouding’ alleen voor de kinderen zou zijn bedoeld en niet mede voor de vrouw heeft de man, gelet op de feitelijke gang van zaken, niet, althans niet voldoende onderbouwd. Feitelijk hebben de kinderen èn de vrouw deel uitgemaakt van ‘de huishouding’ en feitelijk is de het door de man beschikbaar gestelde bedrag van € 1.950,- per maand, waarvan op papier een deel kinderalimentatie en een deel partneralimentatie, mede ten goede gekomen aan de vrouw. De man heeft feitelijk niet alleen het welzijn van de kinderen gediend door middel van de kinderalimentatie, maar ook dat van de vrouw. Overigens is dat niet uitsluitend door middel van partneralimentatie gebeurd, maar ook door de financiering van de woning van de vrouw te [plaats] met een geldlening aan de vrouw van € 175.000,- met een looptijd van 50 jaar, tegen een vaste rente van 4% per jaar.

Gelet op de voormelde feitelijke gang van zaken en mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de man zijn stelling dat de overeengekomen partneralimentatie een (uitsluitende) vorm van verkapte kinderalimentatie is, niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd. Grief 1 van de vrouw slaagt.

Dit leidt ertoe dat, gelet op hetgeen de man omtrent zijn verplichting tot betaling van partneralimentatie heeft aangevoerd, het verzoek van de man om de partneralimentatie op nihil te stellen alsnog moet worden afgewezen.

Ingangsdatum en terugbetaling?

5.3.

Voorts dient het hof, grief 2 van de vrouw, voor zover het de terugbetaling van de kinder- en/of partneralimentatie betreft, nog te beoordelen. De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank de partneralimentatie ten onrechte met ingang van 24 maart 2017 op nihil heeft gesteld en de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld tot terugbetaling van de over de periode van 24 maart 2017 tot 13 december 2017 te veel ontvangen partner- en / of kinderalimentatie.

5.4.1.

De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld.

De vrouw is van mening dat de alimentatie eerst gewijzigd kan worden op de datum van de bestreden beschikking. De rechter dient behoedzaam gebruik te maken van een wijziging met terugwerkende kracht. De man heeft pas op 6 juli 2017 het verzoekschrift in eerste aanleg ingediend. De vrouw heeft gedurende de procedure in eerste aanleg een bijstandsuitkering aangevraagd, doch zij kwam daarvoor niet in aanmerking omdat zij aanspraak had op kinderalimentatie en partneralimentatie. De vrouw kon op geen enkele wijze in haar levensonderhoud en de kosten van de kinderen voorzien en in het kader van de bijstand is het niet mogelijk om met terugwerkende kracht een uitkering te ontvangen. De vrouw beschikt niet over spaargeld om het eventueel te veel betaalde aan de man terug te betalen.

5.4.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

De kinderen zijn vanaf 24 maart 2017 niet meer aan de zorg van de vrouw toevertrouwd, zij zijn op 24 maart 2017 verhuisd naar de man. De man is van mening dat de vrouw er vanaf de verhuizing rekening had kunnen houden met wijziging van de alimentatie. De bijstandsuitkering is niet aan de vrouw verleend omdat zij een eigen woning heeft. De vrouw heeft pas op 29 november 2017 een bijstandsuitkering aangevraagd (en verkregen in de vorm van leenbijstand), terwijl zij die uitkering op 24 maart 2017 had moeten aanvragen en zij die bij tijdige aanvraag ook per 24 maart 2017 in de vorm van leenbijstand zou hebben verkregen. De man is bereid om de terugbetaling door de vrouw op een zo gunstig mogelijke wijze te regelen door de betreffende vordering te betrekken in de geldlening terzake de woning van de vrouw.

5.4.3.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de vrouw vanaf het moment dat de kinderen bij de man zijn gaan wonen rekening had kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de alimentatie. De vrouw had vanaf dat moment veel minder kosten nu de man vanaf dat moment de kosten van de kinderen is gaan dragen. Het hof is ten slotte van oordeel dat de vrouw in redelijkheid de vanaf 24 maart 2017 te veel betaalde kinderalimentatie aan de man dient terug te betalen. Dat de vrouw geen spaargeld heeft doet daar niet aan af, nu de man heeft aangeboden de terugbetaling te betrekken in de geldlening terzake de woning van de vrouw.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2017, uitsluitend voor zover het betreft de wijziging van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 februari 2011 voor wat betreft de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw, en voor zover het betreft de veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van hetgeen de man met ingang van 24 maart 2017 onder de noemer van partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de man tot nihilstelling van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw;

wijst alsnog af het verzoek van de man tot terugbetaling door de vrouw van te veel betaalde partneralimentatie;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.I. Peereboom - van Drunick en bijgestaan door de griffier en is in het openbaar, in tegenwoordigheid van de griffier, uitgesproken door mr. E.L. Schaafsma-Beversluis op 27 december 2018.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature